De oudste waarneming van een Oehoe in Nederland stamt uit de periode 1882-1887. Er zou toen een Oehoe in Limburg zijn gezien. In 1887 werd er dan een dode oehoe gevonden, eveneens in Limburg. Maar voor die tijd was er niets bekend over het voorkomen van de reuzenuil in ons land. We moeten dan terug naar de middeleeuwen. Bij opgravingen zijn namelijk wel oehoebotten gevonden die uit de middeleeuwen stammen.
Waar komen onze oehoes dan nu vandaan?
In Duitsland leefden rond 1700 zo'n 2500 oehoepaartjes. In de periode 1935-1965 zijn deze zo goed al uitgemoord door de mens. De jachtwereld zag kennelijk in de Oehoe een grote concurrent. In onherbergzame gebieden bleven nog wat Oehoes over, maar verder was de koning der uilen zo goed als verdwenen. Toen kwam de ommekeer. Wat je kwijt bent, wil je dan plotseling terug. Er werden Oehoes gefokt in grote volieres. Liefst op locaties waar er nauwelijks mensen bij kwamen. De Oehoes leerden daarin zelf jagen en waren schuw. Honderden van deze uilen zijn toen losgelaten in de natuur. Uiteraard met controle op erfelijk materiaal enz. Deze herintroductieprojecten zijn uitermate goed geslaagd en overal in de bergebieden en steengroeves was de Oehoe al snel weer vertegenwoordigd. De herintroducties zijn al lang gestopt, maar de Oehoe neemt nog steeds in aantal toe. De Duitse Oehoes kwamen zelfs naar Nederland en momenteel hebben wij het genoegen 10 paren van deze prachtige vogel binnen onze landsgrenzen te kunnen aanschouwen.