Beleef_de_lente_header

-

Bezoekers online

Steenuil

De steenuilen zijn uitgevlogen, maar bezoeken nog regelmatig de nestkast. Je kan nog live meekijken op: www.steenuil.nl/beleef-de-lente

steenuil

Dit weblog wordt beheerd door:
Joep STONE

Joep STONE

Ronald STONE

Ronald STONE

Pascal STONE

Pascal STONE

Christ Ken en Geniet

Christ Ken en Geniet

BDLRedactie

BDLRedactie

Jul 06.07.2016
07:06 uur
Ronald STONE

Waar blijven ze?

Een voor de hand liggende vraag: waar blijven jonge steenuilen nadat ze hun geboorteplek verlaten hebben? Typisch een van de vragen waar ringonderzoek antwoord op kan geven. Jaarlijks worden er in Nederland rond de 5.000 nestjongen en zo’n 400 volwassen steenuilen geringd. Vanaf 1911 zijn er inmiddels meer dan 60.000 vogels geringd. Dat levert een schat aan informatie op.

Van de meeste horen we nooit meer iets terug. Ze vestigen zich op een plek waar niet gecontroleerd wordt of gaan dood en worden niet gevonden. Toch is er ook een toenemend aantal waar we wel iets van te weten komen. Dat kan op verschillende manieren.

 

Iemand vindt een dode uil, bijvoorbeeld op het eigen erf of lang de kant van weg als verkeersslachtoffer. Soms is dat een ringer of nestkastcontroleur, maar veel vaker is dat een erfbewoner of zomaar iemand. Zo’n laatste vondst noemen we een publieksmelding. Wat we dan weten is wat de laatste verblijfplaats was van de gevonden uil. Dat hoeft niet per se zijn eindbestemming te zijn. Het kan zijn dat het dier nog op zoek was naar een eigen territorium. Vaak is dat het geval met verkeersslachtoffers uit het najaar. We weten dan met zekerheid hoe oud zo’n uil geworden is, maar niet zijn definitieve verblijfplaats. Tot voor een aantal jaren terug waren het vooral dergelijke meldingen die ons beeld van de dispersie bepaalden.

 

De laatste vijfentwintig jaar is niet alleen het ringen van steenuilen fors toegenomen, maar ook het controleren van nestkasten. Buiten de ringer om is er een grote groep vrijwilligers die jaarlijks alle door hen opgehangen nestkasten bezoekt. Niet alleen in het broedseizoen, maar steeds vaker ook in de winter of het vroege voorjaar. Daarbij worden heel regelmatig geringde steenuilen aangetroffen. Heel vaak zijn dat dieren die eerder als volwassen uil op dezelfde plek zijn geringd (bijvoorbeeld een vrouwtje dat al vier jaar in dezelfde nestkast broedt). Soms zijn het ongeringde; die krijgen dan alsnog een ring om. In toenemende mate zijn het echter ook dieren die het jaar ervoor op een andere plek geboren zijn. Dat zijn de meest waardevolle waarnemingen. Van zo’n dier weet je immers ‘alles’: wanneer het geboren is (en dus hoe oud het is) en waar het geboren is (en dus wat de afgelegde afstand is). Een ringer/controleur treft op die manier regelmatig een door hemzelf in een vorig jaar geringd nestjong terug. Zo’n waarneming noemen we eigen melding. Van zo’n dier weten we precies hoever het zich van zijn geboorteplek heeft gevestigd: de dispersieafstand. Toch moeten we ook hier voorzichtig zijn met het interpreteren van de informatie. De kans immers dat een dier teruggevangen wordt, wordt beperkt door de omvang van het werkgebied van de ringer/controleur. Van een dier dat zich daarbuiten vestigt, is de kans op een terugvangst veel kleiner. Omdat de omvang van het werkgebied van een ringer meestal niet heel groot is, hebben dit soort terugvangsten vaak betrekking op relatief korte afstanden van enkele tot hooguit 10-15 kilometer. Gemakkelijk ontstaat dan het beeld dat steenuilen niet ver weg trekken.

 

Nu er op steeds meer plekken in het land steenuilen geringd worden, is de kans op de vangst van een uil die door een collega-ringer geringd is, belangrijk toegenomen. Samen wordt soms een heel groot gebied bestreken. In de Achterhoek-Liemers - een belangrijk steenuilengebied - zijn een tiental ringers en een veelvoud aan controleurs actief. Samen controleren ze ieder jaar meer dan 600 bezette nestkasten waarbij tussen de 1300 en 1700 jongen worden geringd. Het gebeurt inmiddels regelmatig dat zij een uil aantreffen die door een collega in diens eigen gebied is geringd. De kans dat daarmee uilen terugvangen worden die op grotere afstand van de vangstplek zijn geboren, is daarmee belangrijk toegenomen. Regelmatig worden afstanden van 20 tot 25 kilometer, of nog langer, gemeld. En dan blijkt dat steenuilen soms verder weg trekken dan gedacht.

 

Het is nog te vroeg voor harde conclusies - daarvoor moet de volledige dataset op deskundige wijze worden geanalyseerd - maar het zou me niet verbazen dat door de toename van het aantal terugvangsten onze ideeën over de dispersie van jonge steenuilen bijgesteld moeten worden. Morgen een paar voorbeelden uit ons eigen werkgebied.

 

Terug naar weblog overzicht
Adbdl-actielid-142x415